Hoofdmenu openen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wee·ïg
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van  wee bn  met het achtervoegsel -ig
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen weeïg weeïger weeïgst
verbogen weeïge weeïgere weeïgste
partitief weeïgs weeïgers -

Bijvoeglijk naamwoord

weeïg [1]

  1. overmatig teerhartig
    • Voor alle vrouwelijke fans en alle mannen die er zogenaamd niks van moeten hebben, maar de film toch glunderend uitzitten, is er dezer dagen maar één kwestie: wordt Bridget Jones's Baby, vanaf donderdag in de bioscoop, wel leuk? Of blijkt de derde film in de Jones-reeks iets te weeïg nu het over baby's, pretecho's en ontsluitingsweeën gaat? [2] 
  2. iets wat op een flauwe, misselijk makende manier, pijnlijk en onprettig is
    • Collectiebeheerder Ronald de Ruiter van Naturalis is een van de mensen die zich de afgelopen dagen letterlijk op de potvis heeft gestort. "Het is ontzettend zwaar werk. Je moet er wel uithoudingsvermogen voor hebben, en natuurlijk tegen de stank kunnen." Want feit is: lekker ruikt de potvis bij lange na niet. "Het stinkt énorm. Een moeilijk te beschrijven geur; het is weeïg, een beetje zoetig. Het ruikt naar de dood en naar rottend vlees. De geur is heel doordringend." [3] 
    • "Nachtenlang zat ik in de badkamer naast de wc, voor het geval ik moest overgeven. Later gebruikte ik bij elke kramp of weeïg gevoel zetpillen tegen misselijkheid. En als ik hoorde dat mensen ziek waren, vermeed ik ze. Ik ondernam steeds minder, uit angst dat ik moest overgeven als ik in de bus of bioscoop zat." [4] 
Synoniemen
Verwante begrippen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
84 % van de Vlamingen.

Verwijzingen