• vrij·er
enkelvoud meervoud
naamwoord vrijer vrijers
verkleinwoord vrijertje vrijertjes

de vrijerm

  1. (verouderd) aanbidder, (jonge)man die een vrouw het hof maakt of om haar hand vraagt
  2. (informeel) vriend, geliefde

vrijer

  1. onverbogen vorm van de vergrotende trap van vrij
     Na een aantal maanden zoeken maakte ik dan een keuze die vaak op een oecumenische kerk viel, aangezien deze vrijer van dogma’s is.[3]
100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]
  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. vrijer op website: Etymologiebank.nl
  3. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers  
  4.   Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be