tentoonstellen

Nederlands

Uitspraak
naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
tentoonstellen tentoonstellend
tentoonstelling tentoongesteld


Woordafbreking
  • ten·toon·stel·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
tentoonstellen
stelde tentoon
tentoongesteld
zwak -d volledig

Werkwoord

tentoonstellen

  1. overgankelijk voor een publiek toonbaar maken
    • De gevonden artefacten werden in het stadhuis tentoongesteld. 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be