startpunt

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • start·punt
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord startpunt startpunten
verkleinwoord startpuntje startpuntjes

Zelfstandig naamwoord

startpunt o

  1. beginpunt, punt van vertrek
     Terwijl het startpunt van een open discussie zo simpel kan zijn. ‘We moeten’, zegt Çankaya, ‘publieke zaken niet zo persoonlijk maken.’[1]
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Haro Kraak “Waarin zit toch de witte angst om over racisme te praten?” (5 juni 2020), de Volkskrant
  2.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be