naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
sarren sarrend
gesar gesard
  • sar·ren
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘plagen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1357 [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
sarren
/'sɑrən/
sarde
/'sɑrdə/
gesard
/ɣə'sɑrt/
zwak -d volledig

sarren

  1. overgankelijk voortdurend lastig vallen
    • Als je een kat gaat sarren kun je wel eens een haal krijgen. 
     Tibetanen die het Westen komen laten zien hoe rijk hun cultuur is, en ze doen dat om de Europeanen te attenderen op hun treurige lot: al bijna veertig jaar worden ze gesard door de Chinezen.[2]
95 % van de Nederlanders;
78 % van de Vlamingen.[3]