Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • root

Werkwoord

vervoeging van
roten

root

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van roten
  2. gebiedende wijs van roten

Gangbaarheid

44 % van de Nederlanders;
49 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Engels

enkelvoud meervoud
root roots

Zelfstandig naamwoord

root

  1. (plantkunde), (groente) wortel
  2. (wiskunde) wortel


Limburgs

Uitspraak
  • IPA: /roːt/ (Etsbergs)

Zelfstandig naamwoord

root v

  1. wortel (van een plant)
Verbuiging
Synoniemen


Nedersaksisch

Bijvoeglijk naamwoord

root

  1. (kleur) rood; de kleur rood hebbend
Schrijfwijzen


Plautdietsch

Bijvoeglijk naamwoord

root

  1. (kleur) rood; de kleur rood hebbend


Oost-Fries

Bijvoeglijk naamwoord

root

  1. (kleur) rood; de kleur rood hebbend
Synoniemen


Westfaals

Bijvoeglijk naamwoord

root

  1. (West-Münsterlands) (kleur) rood; de kleur rood hebbend
Synoniemen