onderstuk


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·der·stuk
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord onderstuk onderstukken
verkleinwoord onderstukje onderstukjes

Zelfstandig naamwoord

onderstuk o [1]

  1. het benedenste gedeelte van iets
     De soldaten, die in de meerderheid zijn, vormen het onderstuk van de kegel, het grondvlak.[2]
     Een volgende stap is het aanpassen van de fundering van de masten. Meest spectaculair wordt vervolgens het met een telekraan optillen van de mast om het gevaarte op een verhoogd onderstuk te plaatsen.[3]
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Leo Tolstoj   “Oorlog en Vrede” (1869), van Oorschot, ISBN 978902825115 1
  3.   Weblink bron “Mast moet in Rietmolen hoger voor het verkeer” (22-05-2016), Tubantia