bovenstuk

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bo·ven·stuk
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bovenstuk bovenstukken
verkleinwoord bovenstukje bovenstukjes

Zelfstandig naamwoord

bovenstuk o [1]

  1. bovenste stuk van een uit meerdere delen samengesteld voorwerp

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen