Nederlands

 
nar
Uitspraak
Woordafbreking
  • nar
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘zot’ voor het eerst aangetroffen in 1432. [1]
  • Ontwikkeld uit Middelnederlands narre, ontleend aan Middelhoogduits narre zot, dwaas (modern Duits Narr). [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord nar narren
verkleinwoord narretje narretjes

Zelfstandig naamwoord

nar m [3] [4]

  1. (beroep) zot, dwaas
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
narren

nar

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van narren
    • Ik nar. 
  2. gebiedende wijs van narren
    • Nar! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van narren
    • Nar je? 

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen