Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mus·kus
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘sterk riekende stof van mannelijke muskusdieren’ voor het eerst aangetroffen in 1620 [1]
  • Van Sanskriet muṣká via Middenperzisch mušk, Grieks μόσχος (moschos) en middeleeuws Latijn: muscus.
enkelvoud meervoud
naamwoord muskus -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

muskus m

  1. de geurstof uitgescheiden door de geurklieren van bepaalde zoogdieren
    • Sommige mensen vinden muskus lekker reuken, maar ik vind het te aanwezig. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

89 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen