morsdood

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mors·dood
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen morsdood
verbogen morsdode
partitief morsdoods

Bijvoeglijk naamwoord

morsdood

  1. ineens of helemaal dood, ook in figuurlijke zin
    • Het communisme is, zeker in Nederland, als politieke beweging morsdood.  
    • `Zonder hen was je allang dood geweest. In de goot had je gelegen.'. ` Morsdood', hoorde ik mijn vader roepen. [4] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen