Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: méd


  • med
  • Afkomstig van het Oudnoorse woord með
Naar frequentie 16

med

  1. met
    «Hans familie bor sammen med ham, fordi der er et stort gennembrud.»
    Zijn familie woont bij hem, omdat er een grote doorbraak is.


  • med
  • Bijwoord, voorzetsel: afkomstig van het Oudnoorse woord með
  • Voegwoord: afkomstig van het Oudnoorse woord meðan (van med det at)
  • Zelfstandig naamwoord: afkomstig van het Oudnoorse woord mið, dat van miðr komt
Naar frequentie 13

med

  1. erbij, mee
  • det er jeg med på
conform zijn

med

  1. terwijl, tijdens

med

  1. met (samen met)
    «Å gå tur med en hund er en fritidsyssel og en nødvendighet (for hunden).»
    Lopen met de hond is een vrijetijdsactiviteit en een noodzaak (voor de hond).
  2. met, door (modus)
    «Men de aller fleste tar det med fatning – de vet jo at dette er ulovlig.»
    Maar de meeste dragen het met kalmte - ze weten dat dit illegaal is.
  3. met (toe te schrijven)
    «Han er en mann med ideer.»
    Hij is een man met ideeën.
  • [1]: biff med løk
rundvlees met uien
  • [2]: gjøre noe med glede
iets met plezier doen
  • [2]: med andre ord (m.a.o.)
met andere woorden (m.a.w.)
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   med     medet     med     meda
medene  
genitief   meds     medets     meds     medas
medenes  

med, o

  1. elk van de twee oogpunten in het landschap met zichtsverbinding.
  2. snijpunt van twee zichtlijnen.
    «Båten ligger i medet.»
    De boot ligt op het snijpunt.
  3. zichtlijn
  4. hengelplaats op het snijpunt van twee zichtlijnen.
  5. doel
  • [5]: uten mål og med
zonder doel en opzet


  • med
  • Bijwoord, voorzetsel: afkomstig van het Oudnoorse woord með
  • Voegwoord: afkomstig van het Oudnoorse woord meðan (van med det at)

med

  1. erbij, mee
  • det er eg med på
conform zijn

med

  1. terwijl, tijdens
    «Med graset gror, døyr kua.»
    Terwijl het gras groeit, sterft de koe.

med

  1. met (samen met)
    «Vis du har ein hund så gå tur med den kvar dag.»
    Als je een hond hebt, loop je elke dag met hem.
  2. met, door (modus)
    «I medisinske ord skal den greske bokstaven theta (θ) gjevast att med - t - i norske ordformer, også i samansetjingar og avleiingar.»
    In medische termen zal voortaan de Griekse letter theta (θ) in Noorse woordvormen met een 't' weergegeven worden, ook in samenstellingen en afleidingen.
  3. met (toe te schrijven)
    «Han er ein mann med idear.»
    Hij is een man met ideeën.
  • [1]: biff med lauk
rundvlees met uien
  • [2]: gjere noe med sorg
iets met verdriet doen


  • med
Naar frequentie 16

med

  1. met
    «Han kom med oss»
    Hij ging met ons mee.