lijdelijk

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lij·de·lijk
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen lijdelijk lijdelijker lijdelijkst
verbogen lijdelijke lijdelijkere lijdelijkste
partitief lijdelijks lijdelijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

lijdelijk

  1. zonder verzet, ongemak verdragend
    • Hij moest lijdelijk verzet toepassen. 
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

61 % van de Nederlanders;
44 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen