koelbak

Nederlands

 
[2] Slagerij met koelbakken waarin men vlees presenteert
Uitspraak
Woordafbreking
  • koel·bak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord koelbak koelbakken
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

koelbak m [2]

  1. bak met water waarin een smid een werkstuk snel kan laten afkoelen
    • De afgelopen week is hard gewerkt aan het maken van een nieuwe kap boven het smidsvuur. Aannemersbedrijf Mateboer heeft de oude koelbak opnieuw gemetseld en de werkbank weer geplaatst. Zo moeten er nog tal van zaken gebeuren voordat de Voorstraat 16 een volwaardige smederij is. [3] 
  2. bak waarin men bederfelijk voedsel koud kan bewaren
    • De komende weken volgen in de Jodenbreestraat de `telefoniemeters' (mobiele telefoons, telefoonkaarten), de `home-entertainmentmeters' (DVDs, CD's en boeken) en de trots van Everhardus: negen meter kant-en-klare maaltijden. "Als die er eenmaal zijn dan gaat deze zaak, 1.300 vierkante meter, nog meer omzetten. Maar dan heb je veel extra koelbakken, en dus stroom nodig en dat kon niet zo snel geregeld worden." [4] 
    • De chef slagerij van de supermarkt vertelt over zijn aquarium op dezelfde, onopgesmukte manier als waarmee hij de vleessoorten in de koelbakken opsomt. 'Karbonaadjes, schouder- en rib-, verder schnitzels, gepaneerd en ongepaneerd, steak, de speklap, het mini-gebeuren voor de gourmet en in de aanbieding sukadelappen.' [5] 
  3. deel van een (stoom)machine waarin warm (koel)water afkoelt
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

88 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.[6]

Verwijzingen