• hap·pen
  • In de betekenis van ‘bijten’ voor het eerst aangetroffen in 1588 [1]
  • [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
happen
hapte
gehapt
zwak -t volledig

happen

  1. inergatief de mond open en dicht bewegen al dan niet gepaard gaande met bijten
    • de vis lag op het droge te happen 
    • de hond hapte naar mijn been 
     Het is de dag voordat de Tour de France de gevreesde helling in de Vogezen aandoet. Liefhebbers klauteren alvast naar adem happend en met knarsende ketting naar boven.[3]
  2. overgankelijk (informeel) eten
    • ik heb trek, zullen we even wat gaan happen? 
  3. inergatief reageren op een pesterige opmerking
    • hij hapt altijd meteen als je iets lulligs zegt 

de happenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord hap
97 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.[4]


vervoeging
onbepaalde wijs to  happen 
he/she/it  happens 
verleden tijd  happened 
voltooid
deelwoord
 happened 
onvoltooid
deelwoord
 happening 
gebiedende wijs  happen 

happen

  1. afspelen
  2. gebeuren