• fa·na·tiek
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘bezeten’ voor het eerst aangetroffen in 1796 [1]
  • afgeleid van fanaat met het achtervoegsel -iek [2]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen fanatiek fanatieker fanatiekst
verbogen fanatieke fanatiekere fanatiekste
partitief fanatieks fanatiekers -

fanatiek

  1. met een grote inzet of liefde tot een bepaalde zaak
    • De fanatieke voetballer lag na de wedstrijd uitgeteld op het veld, omdat hij alles had gegeven. 
100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]