fabriceren van sigaren
  • fa·bri·ce·ren
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘vervaardigen’ voor het eerst aangetroffen in 1593 [1]
  • afgeleid van het Franse fabriquer (met het achtervoegsel -eren) [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
fabriceren
fabriceerde
gefabriceerd
zwak -d volledig

fabriceren

  1. overgankelijk een product door middel van werktuigen bewerken of vervaardigen [3]
    • Ze gingen samen het werkstuk fabriceren. 
     Mijn manier om tot bepaalde oplossingen of uitvindingen te komen is niet alledaags. Door collega’s en vrienden word ik wel een MacGyver-onderzoeker genoemd – een geuzennaam – omdat ik consumentenelektronica of gebruiksartikelen ombouw tot iets waarvoor het oorspronkelijk niet bedoeld is. Een Wii Remote heb ik bijvoorbeeld getransformeerd tot waterniveaumeter en in een waadbroek heb ik sensoren gefabriceerd zodat ze de temperatuur van water kunnen meten.[4]
99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[5]