directief

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • di·rec·tief
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord directief directieven
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

directief

  1. m (taalkunde) een naamval die de richting waarin de handeling voert weergeeft
    • Het Baskisch kent een directief. 
  2. o een dwingende opdracht gewoonlijk van een overheid, richtlijn
Hyponiemen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen directief directiever directiefst
verbogen directieve directievere directiefste
partitief directiefs directievers -

Bijvoeglijk naamwoord

directief

  1. sturend

Gangbaarheid

85 % van de Nederlanders;
76 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be