brandschilderen/vervoeging
vervoeging van de bedrijvende vorm van brandschilderen | |||||||||||
---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
onbepaalde wijs | kort | lang | |||||||||
onvoltooid | tegenwoordig | brandschilderen | te brandschilderen | ||||||||
toekomend | zullen brandschilderen | te zullen brandschilderen | |||||||||
voltooid | tegenwoordig | hebben gebrandschilderd | te hebben gebrandschilderd | ||||||||
toekomend | gebrandschilderd zullen hebben | gebrandschilderd te zullen hebben | |||||||||
onvoltooid deelwoord | voltooid deelwoord | gebiedende wijs | aanvoegende wijs | ||||||||
brandschilderend | gebrandschilderd | ev. brandschilder |
mv. verouderd brandschildert |
brandschildere | |||||||
aantonende wijs | enkelvoud | meervoud | |||||||||
onvoltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||||
ik | jij, je | u | gij, ge | hij, zij, het | wij, we | jullie | zij, ze | ||||
tegenwoordig (o.t.t.) | brandschilder | brandschildert | brandschildert | brandschildert | brandschildert | brandschilderen | brandschilderen | brandschilderen | |||
verleden (o.v.t.) | brandschilderde | brandschilderde | brandschilderde | brandschilderde | brandschilderde | brandschilderden | brandschilderden | brandschilderden | |||
toekomend (o.t.t.t.) | zal brandschilderen | zult/zal brandschilderen | zult/zal brandschilderen | zult brandschilderen | zal brandschilderen | zullen brandschilderen | zullen brandschilderen | zullen brandschilderen | |||
voorwaardelijk (o.v.t.t.) | zou brandschilderen | zou brandschilderen | zou(dt) brandschilderen | zoudt brandschilderen | zou brandschilderen | zouden brandschilderen | zouden brandschilderen | zouden brandschilderen | |||
voltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||||
ik | jij, je | u | gij | hij, zij, het | wij | jullie | zij | ||||
tegenwoordig (v.t.t.) | heb gebrandschilderd | hebt gebrandschilderd | hebt/heeft gebrandschilderd | hebt gebrandschilderd | heeft gebrandschilderd | hebben gebrandschilderd | hebben gebrandschilderd | hebben gebrandschilderd | |||
verleden (v.v.t.) | had gebrandschilderd | had gebrandschilderd | had gebrandschilderd | hadt gebrandschilderd | had gebrandschilderd | hadden gebrandschilderd | hadden gebrandschilderd | hadden gebrandschilderd | |||
toekomend (v.t.t.t.) | zal gebrandschilderd hebben | zal/zult gebrandschilderd hebben | zult/zal gebrandschilderd hebben | zult gebrandschilderd hebben | zal gebrandschilderd hebben | zullen gebrandschilderd hebben | zullen gebrandschilderd hebben | zullen gebrandschilderd hebben | |||
voorwaardelijk (v.v.t.t.) | zou gebrandschilderd hebben | zou gebrandschilderd hebben | zou/zoudt gebrandschilderd hebben | zoudt gebrandschilderd hebben | zou gebrandschilderd hebben | zouden gebrandschilderd hebben | zouden gebrandschilderd hebben | zouden gebrandschilderd hebben | |||
onpersoonlijke lijdende vorm gebrandschilderd worden | |||||||||||
onvoltooid | voltooid | ||||||||||
tegenwoordig | er wordt gebrandschilderd | er is gebrandschilderd | |||||||||
verleden | er werd gebrandschilderd | er was gebrandschilderd | |||||||||
toekomend | er zal gebrandschilderd worden | er zal gebrandschilderd zijn | |||||||||
voorwaardelijk | er zou gebrandschilderd worden | er zou gebrandschilderd zijn | |||||||||
lijdende vorm gebrandschilderd worden | |||||||||||
onbepaalde wijs | kort | lang | |||||||||
onvoltooid | tegenwoordig | gebrandschilderd worden | gebrandschilderd te worden | ||||||||
toekomend | gebrandschilderd zullen worden | gebrandschilderd te zullen worden | |||||||||
voltooid | tegenwoordig | gebrandschilderd zijn | gebrandschilderd te zijn | ||||||||
toekomend | gebrandschilderd zullen zijn | gebrandschilderd te zullen zijn | |||||||||
enkelvoud | meervoud | ||||||||||
onvoltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||||
ik | jij, je | u | gij | hij, zij, het | wij | jullie | zij | ||||
tegenwoordig (o.t.t.) | word gebrandschilderd | wordt gebrandschilderd | wordt gebrandschilderd | wordt gebrandschilderd | wordt gebrandschilderd | worden gebrandschilderd | worden gebrandschilderd | worden gebrandschilderd | |||
verleden (o.v.t.) | werd gebrandschilderd | werd gebrandschilderd | werd gebrandschilderd | werdt gebrandschilderd | werd gebrandschilderd | werden gebrandschilderd | werden gebrandschilderd | werden gebrandschilderd | |||
toekomend (o.t.t.t.) | zal gebrandschilderd worden | zult gebrandschilderd worden | zult gebrandschilderd worden | zult gebrandschilderd worden | zal gebrandschilderd worden | zullen gebrandschilderd worden | zullen gebrandschilderd worden | zullen gebrandschilderd worden | |||
voorwaardelijk (o.v.t.t.) | zou gebrandschilderd worden | zou gebrandschilderd worden | zou/zoudt gebrandschilderd worden | zoudt gebrandschilderd worden | zou gebrandschilderd worden | zouden gebrandschilderd worden | zouden gebrandschilderd worden | zouden gebrandschilderd worden | |||
voltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||||
ik | jij, je | u | gij | hij, zij, het | wij | jullie | zij | ||||
tegenwoordig (v.t.t.) | ben gebrandschilderd | bent gebrandschilderd | bent/is gebrandschilderd | zijt gebrandschilderd | is gebrandschilderd | zijn gebrandschilderd | zijn gebrandschilderd | zijn gebrandschilderd | |||
verleden (v.v.t.) | was gebrandschilderd | was gebrandschilderd | was gebrandschilderd | waart gebrandschilderd | was gebrandschilderd | waren gebrandschilderd | waren gebrandschilderd | waren gebrandschilderd | |||
toekomend (v.t.t.t.) | zal gebrandschilderd zijn | zult gebrandschilderd zijn | zult gebrandschilderd zijn | zult gebrandschilderd zijn | zal gebrandschilderd zijn | zullen gebrandschilderd zijn | zullen gebrandschilderd zijn | zullen gebrandschilderd zijn | |||
voorwaardelijk (v.v.t.t.) | zou gebrandschilderd zijn | zou gebrandschilderd zijn | zou/zoudt gebrandschilderd zijn | zoudt gebrandschilderd zijn | zou gebrandschilderd zijn | zouden gebrandschilderd zijn | zouden gebrandschilderd zijn | zouden gebrandschilderd zijn |