boventallig

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bo·ven·tal·lig
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstellende afleiding van boven en tal met het achtervoegsel -ig
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen boventallig boventalliger boventalligst
verbogen boventallige boventalligere boventalligste
partitief boventalligs boventalligers -

Bijvoeglijk naamwoord

boventallig [1]

  1. boven het normale aantal uitgaande, met name voor een werknemer die ergens werkt waar het benodigde aantal werkers reeds aanwezig is
    • Kortom, het is een vechtmarkt en Monuta moet wel reorganiseren om niet verder in de hoek gedreven te worden. Dat bepleit de advocaat van de uitvaartverzekeraar en -verzorger (800 werknemers, 275 miljoen euro omzet in 2015) donderdag in de kantonrechtbank in Apeldoorn. Alle 130 uitvaartverzorgers zijn per 1 februari boventallig verklaard. Ze konden wel solliciteren op een „nieuwe functie”: de Uitvaartverzorger Nieuwe Stijl, met een eigen postcodegebied en harde winsttargets. Onzin, zeggen vakbonden FNV en CNV die een kort geding tegen zowel Monuta als zijn ondernemingsraad hebben aangespannen. Die nieuwe functie is hetzelfde als de oude en legt alleen het ondernemersrisico bij de uitvaartverzorgers, stellen de bonden. Ze beschuldigen Monuta van een „onrechtmatige stoelendansmethode, waarbij vaste werknemers verkapte zzp’ers worden. De OR zou meewerken aan deze „turbo-reorganisatie”, terwijl de bonden worden genegeerd.[2] 
    • De 45 medewerkers die boventallig worden verklaard zijn onder meer (medisch) secretaresses, huishoudelijke medewerkers of keukenhulpen. Voor de helft van hen wordt een andere plek in de organisatie gezocht. "Dat is ook ingrijpend; bijvoorbeeld als je al 25 jaar met dezelfde collega's hebt gewerkt en nu, door het samenvoegen van afdelingen, een andere werkplek krijgt", aldus Wormgoor. De andere helft, tussen 20 en 25 mensen, wacht ontslag en kan een beroep doen op het sociaal plan. Ze kunnen van werk naar werk worden begeleid. [3] 
Synoniemen
Vertalingen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
74 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Eppo König 27 januari 2017
  3. Tubantia Bert Janssen 05-09-17
  4.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be