bedreigen

Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
bedreigen bedreigend
bedreiging
Uitspraak
Woordafbreking
  • be·drei·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bedreigen
bedreigde
bedreigd
zwak -d volledig

Werkwoord

bedreigen

  1. overgankelijk iemand bang maken
    • Hij bedreigde hem met een mes. 
  2. een gevaar zijn
    • De lekkende kerncentrale dreigde een milieuramp te veroorzaken. 
     Het dier kan een parasiet met zich meedragen die rattenlongworm wordt genoemd en hersenvliesontsteking kan veroorzaken bij mensen en vee. Het dier bedreigt met zijn eetlust ook landbouwgewassen, schrijft de Amerikaanse krant USA Today.[1]
Afgeleide begrippen
Anagrammen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron “Delen Florida in quarantaine door megaslak met rattenlongworm” (02 jul 2022), NU.nl
  2.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be