badmeester

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bad·mees·ter
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord badmeester badmeesters
verkleinwoord badmeestertje badmeestertjes

Zelfstandig naamwoord

badmeester m

  1. (beroep) iemand die toezicht houdt bij zwembaden en vaak ook zwemles geeft
    • Iedereen die niet in het diepe durft te springen wordt door de badmeester ferm in het water gesmeten. 
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be