aanvaller

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·val·ler
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord aanvaller aanvallers
verkleinwoord aanvallertje aanvallertjes

Zelfstandig naamwoord

aanvaller m

  1. iemand of iets die aanvalt
    • Duitsland was in de Tweede Wereldoorlog de aanvaller. 
  2. (sport) een persoon in de voorste linie
    • De aanvaller is vaak de speler die de meeste doelpunten maakt. 
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Afrikaans

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

aanvaller

  1. (ook (sport)) aanvaller