aantoonbaar

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·toon·baar
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen aantoonbaar aantoonbaarder aantoonbaarst
verbogen aantoonbare aantoonbaardere aantoonbaarste
partitief aantoonbaars aantoonbaarders -

Bijvoeglijk naamwoord

aantoonbaar

  1. mogelijk om aan te tonen
     ‘Er staat bijvoorbeeld dat we failliet gaan’, zegt Atasoy. ‘Dat is aantoonbaar onjuist. We hebben de rechter ook laten zien dat het niet klopt. Dan moet dat toch uit het rapport geschrapt worden?’[1]
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen


Bijwoord

aantoonbaar

  1. op aantoonbare wijze
    • Dat aantoonbaar niet het geval. 


Gangbaarheid

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Tjerk Gaulthérie van Weezel en Rik Kuiper “Gerechtshof brandt vingers niet aan inspectierapport over Haga Lyceum” (24 december 2019), de Volkskrant