wijsneus

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wijs·neus
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord wijsneus wijsneuzen
verkleinwoord wijsneusje wijsneusjes

Zelfstandig naamwoord

wijsneus m

  1. iemand die meent dat hij veel weet
    • Hou toch op, je gedraagt je als een wijsneus. 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen