• ui·ten
  • Afgeleid van uit.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uiten
uitte
geuit
zwak -t volledig

uiten

  1. wederkerend zich ~: uiting geven aan gevoelens
    • Hij had vaak moeite zich te uiten. 
  2. overgankelijk zeggen
    • Hij uitte een schreeuw. 
     Het vertrek van een reeks hooggeplaatste functionarissen werd op 5 juli ingeluid door minister van Financiën Rishi Sunak en gezondheidsminister Sajid Javid. Het tweetal uitte bij hun vertrek felle kritiek op Johnson. Ze schreven in een verklaring dat de overheid geen "goed, competent en serieus werk" verricht.[1]
98 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[2]
  1.   Weblink bron “Britse premier Johnson stapt op, maar blijft zitten tot opvolger bekend is” (onderdag 07 juli 2022), NU.nl
  2.   Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be