Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ui·ten
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van uit.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uiten
uitte
geuit
zwak -t volledig

Werkwoord

uiten

  1. wederkerend zich ~: uiting geven aan gevoelens
    • Hij had vaak moeite zich te uiten. 
  2. overgankelijk zeggen
    • Hij uitte een schreeuw. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be