tijdstip

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tijd·stip
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord tijdstip tijdstippen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

tijdstip o

  1. een punt in de tijd
    • Op dat tijdstip lag ik nog lekker te slapen. 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be