stumperd

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stum·perd
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘stakker’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1287 [1]
  • afleiding van stumper [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord stumperd stumperds
verkleinwoord stumperdje stumperdjes

Zelfstandig naamwoord

stumperd m [3]

  1. iemand die zielig is en dus medelijden verdient
    • Van de meeste technische ontwikkelingen kunnen wij meeprofiteren. Met wij bedoel ik dan vooral onze leiding. Niet lang nadat we telefoons konden gebruiken, werden bij ons de eerste stumperds veroordeeld op basis van bewijs uit telefoongesprekken. Niet lang nadat er harddisks waren, kon de inhoud daarvan ook tegen je worden gebruikt. [4] 
    • De finale werd op gang gefloten. Frankrijk dicteerde de wet, Ronaldo had een marginale rol, kwam niet bij de bal. Vaak zag je hem in een hoekje van het tv-scherm boos gesticuleren naar de minder begaafde stervelingen die God tegen alle afspraken in met de Portugese nationaliteit had bedacht, stumperds die niet eens bij machte waren hem alleen voor doel te brengen.[5] 
    • De man, die niet voor rechter Stoov verscheen, vernielde op 18 juli van dit jaar een ruit van winkelcentrum de Havenpassage in Almelo. Toen hij hiervoor door agenten werd aangehouden, noemde hij ze ‘dikke stumperds’. De man, die volgens de rechter een ‘behoorlijk strafblad’ heeft, herinnerde zich de gebroken ruit niet, omdat hij behoorlijk gedronken had. Hij heeft voor het vergrijp twee dagen vastgezeten in het arrestantencentrum in Borne.[6] 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
69 % van de Vlamingen.[7]

Verwijzingen