schlemiel

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schle·miel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord schlemiel schlemielen
verkleinwoord schlemieltje schlemieltjes

Zelfstandig naamwoord

schlemiel m

  1. (informeel) sukkel, domkop, slappeling
    • In deze klucht is koopman Jean een beetje een schlemiel die weliswaar meent dat hij alles onder controle heeft, maar in werkelijkheid de speelbal is van het bedrog door anderen. [6]
     Kon hij dan nooit iets goed doen? Zou ie dan altijd een schlemiel blijven? Hij zag z'n vader al met 'n van drift rooden kop. En ze waren tehuis toch al zoo arm. Z'n moeder zou 'm een lijst presenteeren van al hun zorgen en al hun sores en hem vertellen, hoe dat gemiste kippengeld hen in den afgrond wipte..[7]
  2. (informeel) stakker, stumper, pechvogel
    • (...) is het prototype van de schlemiel, de stakker die eerder spotlust opwekt dan mededogen. [8]
Schrijfwijzen
Afgeleide begrippen
Opmerkingen
  • De benaming werd waarschijnlijk populair door de publicatie van Peter Schlemihl's wundersame Geschichte uit 1814 van de Duitse schrijver Adalbert von Chamisso. In deze roman verkoopt de onnozele hoofdpersoon Peter Schlemihl zijn schaduw aan de duivel. [1]
Vertalingen

Gangbaarheid

91 % van de Nederlanders;
68 % van de Vlamingen.[10]

Verwijzingen


Engels

Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

schlemiel

  1. onhandig persoon
  2. stakker