stumperen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stum·pe·ren
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

stumperen [1]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
stumperen
stumperde
gestumperd
zwak -d volledig
  1. onhandig handelen
     ‘Hallo Pim,” zei ik toen ik je vorig jaar voor de tweede keer van mijn leven een hand gaf. En ik schrok meteen van mijn eigen vrijpostigheid. Ik dacht even dat we elkaar goed kenden, maar ik had je eigenlijk vooral gezien op het podium, op de platenhoezen, bij de credits en op de televisie. Ik wilde stumperend mijn onhandigheid corrigeren en begon mezelf voor te stellen, maar je was me voor.[2]
     De verwijzing naar ledematen van Joodse soldaten is wreed. In Tel Hasjomer, nabij Tel Aviv, bevindt zich een hospitaal voor eerste opvang van oorlogsinvaliden. Wie er ooit rondkeek en mannen zonder benen of armen zag stumperen, realiseert zich dat in een oorlog niet alleen de doden tellen, maar ook mensen die fysiek en mentaal kapot zijn gemaakt.[3]
Synoniemen

Gangbaarheid

79 % van de Nederlanders;
49 % van de Vlamingen.[4]


Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2.   Weblink bron “Beste Pim,” (8/12/2009), HP de Tijd
  3.   Weblink bron “Wreed en primitief” (21-01-2008), Reformatorisch Dagblad
  4.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be