stukloon

Nederlands

 
tabaksfabriek met stukloon
Uitspraak
Woordafbreking
  • stuk·loon
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord stukloon stuklonen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

stukloon o [1]

  1. (economie) een hoeveelheid salaris dat je ontvangt per geproduceerde eenheid product
    • ‘Dat is werken tegen stukloon. Dat leidt tot een zeer hoge werkdruk, wat gevaarlijk en ongezond is. Bovendien vormt het geen stabiel inkomen.’[2] 
    • De bravoure van Sandd wekt ergernis op bij de bonden en PostNL. Zij wijzen erop dat veel van de 18.000 Sandd-bezorgers geen fatsoenlijk arbeidscontract hebben, maar werken op basis van stukloon.[3] 
    • Pakketbezorgdiensten als PostNL en DHL hebben volgens de woordvoerder de aanhoudende aandacht van de inspectie. In de sector wordt op stukloon gewerkt, waardoor bezorgers in sommige gevallen minder verdienen dan het minimumloon. Minister Lodewijk Asscher van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wil dit aanpakken door het betalen van stukloon pas toe te staan als iemand meer verdient dan het minimumloon.[4] 
    • Wim Baltussen van FNV Bondgenoten gaf destijds aan dat het in de champignonsector wemelt van bedrijven met dubbele boekhoudingen. „Mensen krijgen stukloon betaald en maken weken van misschien wel negentig uur. In de administratie worden die betalingen en de productie keurig in wettelijk toegestane kaders geperst.” Het justitieel onderzoek loopt nog. De aangehouden leidinggevenden blijven verdacht, maar zijn wel op vrije voeten gesteld.[5] 
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

85 % van de Nederlanders;
74 % van de Vlamingen.[6]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Standaard 21/NOVEMBER/2017 door Jan-Frederik Abbeloos
  3. Tubantia David Bremmer 18-OKTOBER-2017
  4. Volkskrant Nanda Troost 11 mei 2016
  5. NRC 28 maart 2013
  6.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be