stabilisator

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sta·bi·li·sa·tor
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord stabilisator stabilisatoren
stabilisators
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

stabilisator m [3]

  1. (techniek) (voeding) hulpmiddel om de stabiliteit te verbeteren
  2. (scheikunde) (voeding) stof die een chemische reactie vertraagt
Hyponiemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen