Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • slaag
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord slaag -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

slaag m

  1. het uitdelen of ontvangen van klappen
    • Hij kreeg een flink pak slaag. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
slagen

slaag

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van slagen
    • Ik slaag. 
  2. gebiedende wijs van slagen
    • Slaag! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van slagen
    • Slaag je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be