premier

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pre·mier
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘eerste minister’ voor het eerst aangetroffen in 1904 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord premier premiers
verkleinwoord premiertje premiertjes

Zelfstandig naamwoord

premier m

  1. (beroep) (regering) de minister die het kabinet aanvoert
    • De premier had moeite met het verdedigen van de begroting. 
     De politie in Londen heeft het onderzoek naar het zogenoemde partygate-schandaal afgesloten. In totaal werden 126 boetes opgelegd aan politici en overheidsmedewerkers. Naar premier Johnson loopt nog wel een parlementair onderzoek over zijn rol in het schandaal.[3]
     De Britse premier Boris Johnson heeft donderdag aangekondigd op te stappen. Hij blijft voorlopig de taken van premier uitvoeren, totdat er een opvolger bekend is. Johnson lag al geruime tijd onder vuur vanwege een reeks schandalen, zoals het bijwonen van feestjes in coronalockdowns. Het vertrek van een aantal prominente ministers de afgelopen dagen blijkt de druppel te zijn geweest.[4]
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "premier" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. premier op website: Etymologiebank.nl
  3.   Weblink bron “Politie Londen sluit onderzoek 'partygate' af, 126 boetes opgelegd” (19 mei 20), NOS
  4.   Weblink bron “Britse premier Johnson stapt op, maar blijft zitten tot opvolger bekend is” (onderdag 07 juli 2022), NU.nl
  5.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Frans

Rangtelwoord (fra)
0
1 11 10 100 103
2 12 20 200 106
3 13 30 300 109
4 14 40 400 1012
5 15 50 500 1015
6 16 60 600 1018
7 17 70 700 1021
8 18 80 800 1024
9 19 90 900 1027

Rangtelwoord

premier

  1. eerste (vrouwelijk: première)
    «Je suis son premier frère.»
    Ik ben zijn/haar eerste broer.
    «Voici la première maison.»
    Hier is het eerste huis.