pluviometer

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • plu·vio·me·ter
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘regenmeter’ voor het eerst aangetroffen in 1847 [1]
  • Samenstelling van het Latijnse pluvius ('regenachtig') en meter.
enkelvoud meervoud
naamwoord pluviometer pluviometers
verkleinwoord pluviometertje pluviometertjes

Zelfstandig naamwoord

pluviometer m

  1. een toestel dat de hoeveelheid gevallen neerslag meet
    • De pluviometer was niet betrouwbaar meer. 
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

52 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen