Frans

Uitspraak
Woordafbreking
  • pique
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  pique     la pique     piques     les piques  

Zelfstandig naamwoord

[A] pique v

  1. (militair) lans, piek
  2. (heraldiek) piek
  3. m (kaartspel) schoppen
  4. (figuurlijk) piek, zenit, hoogste punt van de zon overdag

[B] pique v

  1. sneer, hatelijke opmerking

Werkwoord

vervoeging van
piquer

pique

  1. eerste en derde persoon enkelvoud onvoltooid tegenwoordige tijd (indicatif présent) van piquer
  2. eerste en derde persoon enkelvoud tegenwoordige aanvoegende wijs (subjonctif présent) van piquer
  3. tweede persoon enkelvoud gebiedende wijs (impératif présent) van pique

Verwijzingen

  1.   Weblink bron pique1, 2 in: Trésor de la langue française informatisé, Dictionnaire de l’Académie française, huitième édition, 1932-1935 op cnrtl.fr
  2.   Weblink bron pique3 in: Trésor de la langue française informatisé, Dictionnaire de l’Académie française, huitième édition, 1932-1935 op cnrtl.fr
  3.   Weblink bron piquer in: Trésor de la langue française informatisé, Dictionnaire de l’Académie française, huitième édition, 1932-1935 op cnrtl.fr

Spaans

Werkwoord

vervoeging van
picar

pique

  1. aanvoegende wijs eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van picar
  2. aanvoegende wijs derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van picar
  3. gebiedende wijs (bevestigend en ontkennend) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van picar
vervoeging van
picarse

pique

  1. aanvoegende wijs eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van picarse
  2. aanvoegende wijs derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van picarse
  3. gebiedende wijs (ontkennend) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van picarse