Paardrijden.
  • paard·rij·den
  • Leenvertaling van Engels horseriding, als kunstvorm voor het eerst bekend in Nederland eind 18e eeuw, zie vindplaats hieronder.
  • Het werkwoord is een terugvorming van het zelfstandig naamwoord paardrijden.
  • samenstelling van  paard  en  rijden 
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
paardrijden
reed paard
paardgereden
klasse 1 volledig

paardrijden

  1. (paardrijden) zich, zittend op de rug van een paard, verplaatsen
    • Voordat ze ging paardrijden, zadelde ze het paard op. 

het paardrijdeno

  1. (paardrijden) (hobby) (sport) het rijden te paard, ter ontspanning of als sportbeoefening
     Paarden, houdt men in Engeland te veel, tot nadeel van den Landbouw, door dien het Paardrijden eene aloude Engelsche gewoonte is.[1]
99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]
  1.   Weblink bron
    Brender à Brandis, G.
    “Nieuwe natuur- geschied- en handelkundige zak- en reis-atlas” (1789-1799), Gravius, Nicolaas Theodorus Amsterdam, p. 147 op Delpher.nl  
  2.   Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be