paardrijden

Paardrijden.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • paard·rij·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
paardrijden
reed paard
paardgereden
klasse 1 volledig

Werkwoord

paardrijden

  1. (paardrijden) zich, zittend op de rug van een paard, verplaatsen
    • Voordat ze ging paardrijden, zadelde ze het paard op. 
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be