Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • over·tui·ging
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord overtuiging overtuigingen
verkleinwoord overtuiginkje overtuiginkjes

Zelfstandig naamwoord

overtuiging v

  1. een sterke mening of geloof
    • Ik ben van overtuiging dat ik gelijk heb. 
     "We moeten nadenken over hoe we met die publieke ruimte willen omgaan. Vroeger lag de nadruk op terughoudendheid, gereserveerdheid. Men was wel van een kerk of een levensopvatting, maar er was een soort afspraak om het private en de overtuiging niet al te sterk aanwezig te laten zijn in de publieke ruimte. Zo bleef de publieke ruimte een neutrale, betrekkelijk veilige sfeer."[1]
     Hij was niet veroordelend, in deze kwestie was hij niet alleen uit eigen overtuiging beginselvast, hij was ook decennialang opgevoed door zowel Ingeborg als haar beste vriendin en bovendien zijn schoonzus Christa.[2]
  2. met overtuiging: krachtig, zelfverzekerd
     Met overtuiging bestelden we twee spritz, in de wetenschap dat die achttien euro per stuk kostten en dat we er daarna nog zeker twee zouden bestellen.[3]
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1.   Weblink bron “Verhardt het politieke klimaat? En zo ja, wat doe je ertegen?” (17-06-2016), NOS
  2. Jan Guillou (vert. Bart Kraamer)
    “Kop in het zand” (2015), Uitgeverij Prometheus, ISBN 9789044628142
  3. “Grand Hotel Europa” (2018), De Arbeiderspers  , ISBN 978-90-295-2622-7, p. 26
  4.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be