ooggetuige

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • oog·ge·tui·ge
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ooggetuige ooggetuigen
ooggetuiges
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

ooggetuige v/m

  1. iemand die iets heeft gezien
  2. (juridisch) iemand die een getuigenis aflegt van iets wat hij/zij gezien heeft
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be