onplezierig

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·ple·zie·rig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen onplezierig onplezieriger onplezierigst
verbogen onplezierige onplezierigere onplezierigste
partitief onplezierigs onplezierigers -

Bijvoeglijk naamwoord

onplezierig

  1. een negatief gevoel oproepend
    • Het was een buitengewoon onplezierig vooruitzicht. 
Synoniemen
Antoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be