noordzij

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • noord·zij
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord noordzij noordzijden
noordzijdes
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

noordzij v / m

  1. de zijde die in het noorden ligt.
    • Aan de noordzij van het bos bevindt zich een parkeerplaats. 
Synoniemen
Verwante begrippen

Gangbaarheid

83 % van de Nederlanders;
60 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be