Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • noch
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘nevenschikkend voegwoord’ voor het eerst aangetroffen in 901 [1]
  • [2]

Voegwoord

  1. noch; (formeel) en (ook) niet
    • dit is noch vlees noch vis 
     Natuurlijk hebben noch ik noch de heren in lange jurken enig idee wat waar is en wat niet, maar je moet tenslotte toch ergens in geloven.[3]
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen