kustvaarder

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kust·vaar·der
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kustvaarder kustvaarders
verkleinwoord kustvaardertje kustvaardertjes

Zelfstandig naamwoord

kustvaarder m

  1. (scheepvaart) een vrij klein handelsschip bedoeld voor de zeevaart in de kustwateren
    • Groningen heeft een rijke traditie in het bouwen van kustvaarders. 
Synoniemen
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be