• [A] Afkomstig van het Middelengelse woord heilen
  • [B] Afkomstig van het Oudengelse woord hægl
enkelvoud meervoud
hail -

[A] hail

  1. aanroep
  2. roep

[B] hail

  1. (meteorologie) hagel
vervoeging
onbepaalde wijs to  hail 
he/she/it  hails 
verleden tijd  hailed 
voltooid
deelwoord
 hailed 
onvoltooid
deelwoord
 hailing 
gebiedende wijs  hail 

[A] hail

  1. aanroepen, praaien
  2. groeten
  3. begroeten
    «Prime Minister Nawaz Sharif hailed the 90-day pause in US drone strikes.»
    Premier Nawaz Sharif begroette de 90-daagse pauze in Amerikaanse drone-aanvallen.
  4. toejuichen
  5. loven
    «He hailed police for a tough investigation.»
    Hij loofde de politie voor een stoere onderzoek.
  • [3]: Hail Mary!
Wees gegroet, Maria!

[B] hail

  1. (meteorologie), onpersoonlijk hagelen
  2. (figuurlijk) hagelen
  • [2]: to hail criticism
kritiek hagelen