• groeps·im·mu·ni·teit
  • Samenstelling van groep en immuniteit met het invoegsel -s-, aangetroffen vanaf 1928, zie vindplaats hieronder.
enkelvoud meervoud
naamwoord groepsimmuniteit groepsimmuniteiten
verkleinwoord

de groepsimmuniteitv

  1. (medisch) de situatie waarbij voldoende mensen antistoffen hebben opgebouwd tegen een bepaalde infectieziekte waardoor een populatie als geheel immuun hiertegen is en de infectieziekte zich nauwelijks kan verspreiden
    • De groepsimmuniteit voor het coronavirus was bij het uitbreken afwezig. 
     De strategie heeft in elk geval een negatief effect gehad op het aantal sterfgevallen van het land. Met 43 sterfgevallen per 100.000 inwoners is het sterftecijfer van Zweden wereldwijd een van de hoogste en uit een eerste Zweedse studie naar groepsimmuniteit blijkt dat slechts 7,3 procent van de Stockholmers antistoffen tegen Covid-19 heeft opgebouwd.[1]
     Ze is zeer sprekend en het laat optreden van het secundaire exantheem is mogelijk toe te schrijven aan een tusschen framboesia en syphilis wel bestaande groepsimmuniteit, waarover we nog nader zullen hebben te spreken.[2]
  1.   Weblink bron “Brein achter omstreden Zweedse coronastrategie geeft fouten toe” (03-06-2020), Tubantia
  2.   Weblink bron
    Eduard Hubertus Hermans
    “Framboesia tropica”, Proefschrift (1928), H.J. Paris, Amsterdam, p. 136 op Delpher.nl