geneesheer

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·nees·heer
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord geneesheer geneesheren
verkleinwoord geneesheertje geneesheertjes

Zelfstandig naamwoord

geneesheer m

  1. (beroep) (medisch) arts; dokter
    • De Orde van geneesheren is een Belgische beroepsvereniging van artsen. 
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be