Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·maal
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gemaal gemaals
gemalen
verkleinwoord gemaaltje gemaaltjes

Zelfstandig naamwoord

gemaal

  1. m (formeel) echtgenoot, man
  2. o (waterstaat), installatie die overtollig water een polder uitmaalt
Hyponiemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen