bouwheer


Nederlands

 
Johan Maurits van Nassau de bouwheer van het Mauritshuis in Den-Haag
Uitspraak
Woordafbreking
  • bouw·heer
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bouwheer bouwheren
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

bouwheer m [1]

  1. de opdrachtgever voor het bouwen van een gebouw, de persoon die alle kosten moet dragen en uiteindelijk eigenaar is van het gebouwde, maar niet noodzakelijk de latere gebruiker is
    • Een bouwconsortium met daarin BAM ruziet met de Belgische voetbalclub Anderlecht over de hoogte van de huurpenningen van het nog te bouwen stadion. De club spreekt van 'een aanzienlijke, maar niet onoverbrugbare kloof' met bouwheer BAM/Ghelamco, meldt de Belgische krant De Tijd.[2] 
    • De verplaatsingskosten van zo’n 700 euro komen ten laste van de projectontwikkelaar van het appartementsgebouw. Die vroeg de verplaatsing van de lantaarnpaal te laat aan, zegt de wethouder van Openbare Werken in de krant. ,,Die bouwheer had zijn aanvraag veel eerder moeten indienen."[3] 
Synoniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

75 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Telegraaf 05 jun. 2015 Bam ruziet met Anderlecht over stadionhuur
  3. Tubantia Sven Ponsearts en Caspar Naber 08-12-17, Hilarische bouwblunder België hersteld
  4.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be