bosland

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bos·land
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bosland
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

bosland o

  1. gebied dat aaneengesloten begroeid is met bomen
    • Je kijkt uit over fluorescerende blauwe en groene meren, vulkanen en bergen, om achter de verste berg nog meer diepblauw water te spotten. Uren heb ik hier gezeten om van het uitzicht te genieten. Na de afdaling terug naar 700 meter hoogte eindigt de tocht in een soort subtropisch boslandschap. [2] 
    • García Martínez werkte zelf eerder bij Facebook en heeft inmiddels een stuk bosland op een eiland aan de westkust van Amerika gekocht. "Als er iets gebeurt, zijn wij er in ieder geval klaar voor. In Facebook-chats spreek ik veel mensen die er net zoals ik in staan. We willen voorbereid zijn en dat moeten we samen doen." [3] 
    • De extra uitstoot als gevolg van het gebruik van biodiesel komt in Europa uit op bijna 4 procent, ofwel 12 miljoen extra auto's op de weg, berekende de milieugroep. De extra uitstoot is vooral het gevolg van het gebruik van landbouwgrond voor de productie van gewassen voor biodiesel zoals soja en palmolie in plaats van voor reguliere voedselgewassen. Er moet daardoor meer bosland ontgonnen worden wat drukt op het milieu. [4] 
  2. aanduiding voor de binnenlanden van Suriname
    • De bevolking van het bosland en de distrikten zullen reeds bij de beleidsvorming inzake het binnenland volledig en gelijkwaardig ingeschakeld moeten worden. [5]
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
87 % van de Vlamingen.[6]

Meer informatie

Verwijzingen