blijheid

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • blij·heid
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van blij met het achtervoegsel -heid.
enkelvoud meervoud
naamwoord blijheid blijheden
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

blijheid v

  1. een positieve stemming
    • Na de positieve uitslag was er blijheid alom. 
Synoniemen
Hyperoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be